Waarom we moeten tellen

Ten tweede, kwantificatie: we moeten niet alleen weten wat telt, we moeten ook kunnen tellen. Het is opvallend dat de radiologie, toch eigenlijk de wat beta kant van de geneeskunde, zo wars is van meten. En dan heb ik het niet over de grootte van een afwijking, daar leggen we wel een lineaaltje langs. Maar hier heb ik over het meten van de waarden binnen in ons beeld.

Waarom zouden we dat willen?

Het kwantificeren van beeldmateriaal, het uitdrukken van een grijswaarde in een getal, helpt ons op diverse manieren: ten eerste brengt het ons meer objectiviteit en uniformiteit: als we het er over eens zijn wat afwijkend is en wat normaal is, dan zijn we minder afhankelijk van de subjectiviteit van de beoordelaar, hetgeen nu vaak het geval is. Ten tweede, hogere gevoeligheid: met het blote oog is het lastig om kleine veranderingen of afwijkingen waar te nemen, terwijl die wel meetbaar kunnen zijn. En ten derde, een vlottere implementatie van nieuwe technieken. Het is altijd lastig om te wennen aan nieuwe beelden: je moet als het ware opnieuw leren hoe deze te interpreteren. Dat wordt een stuk eenvoudiger als de nieuwe techniek wordt geleverd met een lijstje van normaalwaarden. Als het klinisch-chemisch lab bijvoorbeeld een nieuwe test introduceert voor, zeg de nierfunctie, met begeleidende normaalwaarde, is deze in mum van tijd ingeburgerd. Dat hoeft voor ons niet anders te zijn.

Het probleem met kwantificatie is dat van oudsher MRI beelden niet kwantitatief zijn: de grijswaarden zijn verbonden aan arbitraire getallen, en meten kan dus niet. Hier en overal ter wereld wordt hard gewerkt aan kwantitatieve MRI technieken. Maar dit is niet eenvoudig. Iedere scanner heeft net weer een andere manier van het uitvoeren van deze metingen. Fysische constanten van weefsel zullen dus op verschillende scanners toch verschillende waarden geven. Het is te vergelijken met een thermometer die van het ene merk een andere waarde geeft dan het andere. Ondenkbaar natuurlijk, maar niet onoverkomelijk: zolang we maar weten wat de normaalwaarden zijn voor een scanner, of hoe te corrigeren tot een waarde die we allemaal accepteren, valt er prima mee te werken. En dat is de status die we nu al hebben: in veel gevallen valt er al met een referentiestandaard (fantoom) een kalibratiemeting te doen. Dat betekent dat wij, als radiologen, ook de volgende stap moeten zetten en zaken in maat en getal gaan uit drukken.