De weg naar implementatie
Ten eerste is een kritische beschouwing van mijn werkveld op zijn plaats. In deze wervelwind van technologische innovatie is het verleidelijk om ons tot grote hoogte mee te laten voeren in alle mogelijkheden, naar de spreekwoordelijke sky die de limit lijkt te zijn. Immer voorwaards, maar laten we niet vergeten ook achterom te kijken.
Het is tijd dat ons vakgebied wetenschappelijk volwassen wordt. Vrijwel al het onderzoek naar nieuwe beeldvormende technieken bevindt zich in de lagere zones van bewijskracht. Gerandomiseerd onderzoek, de hoogste standaard van klinisch-wetenschappelijk onderzoek, is in de diagnostische radiologie een zeldzaamheid. Verder moeten we ons niet alleen richten op de vraag of een nieuwe techniek diagnostisch beter is dan de gangbare techniek, maar ook of deze een daadwerkelijk effect heeft op de klinische besluitvorming. Wordt er bijvoorbeeld minder aanvullend onderzoek gedaan? Wordt er sneller een behandeling ingezet? En heeft dit dan ook daadwerkelijk effect op de patiënt: sneller herstel, betere overleving? Ik ben er heel trots op dat we dit in landelijk verband onderzoeken op het gebied van perfusie MRI in het PERISCOPE project, samen met de Landelijke Werkgroep NeuroOncologie en de Nederlandse Vereniging voor Radiologie.
Ten tweede, educatie. Onbekend maakt onbemind, en in een drukke klinische praktijk hebben we nu eenmaal niet de tijd om ons ook nog eens in iets nieuws te verdiepen. Onzekerheid over implementatie en interpretatie belemmeren toepassing in de klinische praktijk. Dit geldt niet alleen voor de radiologische praktijk, dit geldt voor het gehele behandelteam. Ook hier geldt dat een betere integratie van techniek in het curriculum van de radiologische opleiding zou kunnen helpen. En laten we patiënten zelf niet vergeten: ook zij zijn graag geinformeerd over nieuwe technieken waarmee hun ziekte geevalueerd kan worden.
Ten derde, harmonisatie. Vraag vijf radiologen om tot een bepaald scanprotocol te komen en je krijgt evenzoveel variaties voor een en dezelfde indicatie. Zelfs kleine variaties in scanprotocollen maken een vergelijking lastig, met als vermoedelijk grootste probleem dat kleine verschillen niet kunnen worden gedetecteerd. Wanneer patiënten worden verwezen naar een ander ziekenhuis, wordt onderzoek daarom vaak over gedaan. Daarnaast is het moeilijk om voor wetenschappelijk onderzoek data van verschillende instanties samen te voegen.
Wat het effect van harmonisatie is, blijkt uit recente successen van de EORTC met het samenvoegen van beelddata. Ongeveer tien jaar geleden hebben we een scanprotocol opgesteld dat door alle centra binnen Europa kan worden uitgevoerd. Nu plukken we daar de vruchten van, met resultaten die echt baanbrekend zijn in de wereld van neuro-oncologische beeldvorming.
En tenslotte, samenwerking. In samenwerking bundelen we onze krachten, leren we van elkaar. Hiertoe wil ik verwijzen naar de zeer indrukwekkende toespraak die Tessa Jowell, Brits politica en zelf gediagnosticeerd met een hersentumor, gaf in het Engelse hogerhuis.
Ze zei onder andere:
“So many cancer patients collaborate and support each other every day.
All we now ask is that doctors and health systems learn to do the same.
Learn from each other.”
Als patiënten elkaar weten te vinden en ondersteunen, dan is het wat mij betreft onze plicht als artsen en wetenschappers in de gezondheidszorg om hen daarin te volgen en ervoor te zorgen dat we samenwerken en van elkaar leren.
En laten we ons daarbij niet beperken tot samenwerking binnen ons eigen instituut, ons eigen land, of ons eigen vakgebied. Grenzen vervagen – niet alleen tussen landen maar ook tussen vakgebieden. En dat is goed! We moeten niet krampachtig vasthouden aan een gezondheidszorg structuur die honderd jaar geleden is ontstaan. Hoe pijnlijk het ook is, een herdefinitie van ons vakgebied is aan de orde.